De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) publiceert vandaag drie kernrapporten voor de beoordeling van de Belgische concurrentiekracht: het tussentijds technisch verslag, het verslag over de drie handicaps en het verslag over de macro-economische situatie van de ondernemingen. Het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) vindt die publicaties zeker interessant en stelt vast dat zij lijken te wijzen op een eerder gunstige evolutie. Maar voorzichtigheid blijft geboden.
De cijfers voor 2025 en 2026 blijven ramingen die met veel onzekerheden zijn omgeven en in de loop van het komende jaar nog sterk kunnen veranderen. Bovendien blijft de absolute/historische loonhandicap hoog (in 2024 bedroeg die nog altijd 10%) en staat de rentabiliteit van de ondernemingen onder druk, vooral in de industrie.
Voorlopige ramingen die tot voorzichtigheid nopen
Het tussentijds technisch verslag vormt een belangrijk onderdeel van de wet van 1996: het geeft halverwege twee periodes van IPA‑loononderhandelingen een raming van de evolutie van de Belgische loonhandicap ten opzichte van onze belangrijkste buurlanden, in vergelijking met het referentiejaar 1996. De eerste vandaag gepubliceerde ramingen wijzen op een licht negatieve loonhandicap in 2026 (-1%) ten opzichte van 1996. Dat resultaat moet echter met de nodige omzichtigheid worden geïnterpreteerd, aangezien het uitsluitend gebaseerd is op gekende en relatief stabiele gegevens uit de nationale rekeningen van drie kwartalen van de acht (het eerste, tweede en deerde kwartaal van 2025). Bovendien is de mogelijk positieve evolutie van de Belgische loonhandicap uitsluitend toe te schrijven aan een ontwikkeling in de Duitse lonen (een herziening van +4% over de twee jaar), die recent door de Bundesbank werd vastgesteld in de niet-conventionele lonen (‘wage drift’) in de Duitse dienstensector. Die ontwikkeling wordt toegeschreven aan de grote krapte op de arbeidsmarkt. In België is de situatie vergelijkbaar, maar de statistieken om dat soort evolutie te identificeren zijn nog niet beschikbaar.
Het VBO roept dus op tot voorzichtigheid. De ramingen steunen op voorlopige gegevens en projecties die in de komende twaalf maanden moeten worden bevestigd. Ze blijven in het bijzonder gevoelig voor de evolutie van de loonramingen in onze buurlanden (vooral in Duitsland), evenals voor de onzekerheden rond inflatie, indexering en ‘wage drift’ in België.
Een historische handicap die zwaar blijft wegen
Hoewel onze handicap ten opzichte van 1996 geleidelijk lijkt te verkleinen, bevestigt het rapport over de drie handicaps een structurele realiteit: de Belgische absolute (of historische) loonkostenhandicap blijft zeer groot. In absolute termen blijven de loonkosten aanzienlijk hoger dan in de buurlanden, met een kloof die in 2024 nog steeds ongeveer 10% bedroeg. Die handicap weegt op de competitiviteit van Belgische bedrijven en verzwakt ons vermogen om investeringen aan te trekken, de werkgelegenheid te vrijwaren en een solide industriële basis te behouden.
Rentabiliteit herstelt lichtjes, maar blijft onder historisch niveau
Het derde rapport, over de macro-economische situatie van de ondernemingen, laat zien dat hoewel het bruto-exploitatieoverschot van niet-financiële bedrijven is toegenomen, de nettorentabiliteit na investeringen en belastingen nog steeds niet is teruggekeerd naar het niveau van voor de invoering van de wet van 1996, met een niveau van 7,3% van de toegevoegde waarde in 2024 ten opzichte van 8,2% in 1995. Na een gestage daling tot 2013 is de rentabiliteit geleidelijk hersteld, maar ze blijft onder het referentieniveau. Die divergentie tussen de evolutie van het bruto-exploitatieoverschot en die van de nettorentabiliteit valt voornamelijk te verklaren door het feit dat een steeds groter deel van de inkomsten van bedrijven moest worden besteed aan de vernieuwing van machines en apparatuur als onderdeel van de vergroening en de digitalisering van de economie, en aan hogere vennootschapsbelastingen.
Voorzichtigheid en focus op de industrie
De CRB-rapporten leveren een nuttige bijdrage aan het debat over het concurrentievermogen en de situatie van bedrijven. Het VBO benadrukt echter dat het voorbarig zou zijn om definitieve conclusies te trekken op basis van grotendeels tussentijdse en dus nog onzekere cijfers. Bovenal verhullen de macro-economische gemiddelden zeer verschillende sectorale realiteiten. De industrie, de sector die het meest wordt blootgesteld aan internationale concurrentie, blijft onder zware druk staan en is de echte indicator van het concurrentievermogen van onze economie.
De meest recente cijfers in verband met de buitenlandse handel bevestigen die kwetsbaarheid: in het laatste kwartaal van 2025 daalde de Belgische export met 4,2% ten opzichte van hetzelfde kwartaal in 2024. Dat cijfer daalt voor het derde jaar op rij. Die trend is nog zorgwekkender in bepaalde strategische sectoren, zoals de chemie, waarin de export in diezelfde periode met 8% daalde.
Het versterken van het structurele concurrentievermogen en het verbeteren van het investeringsklimaat, moet dus prioritair blijven om de industriële activiteit en werkgelegenheid in België te kunnen behouden.
Bron: VBO

Catégorie:
Tags: 

