De Belgische economie zou in 2026 met 1,1% groeien en daarna een iets hoger groeitempo aanhouden. De koopkracht van de gezinnen zou gemiddeld met 1,1% per jaar toenemen. De binnenlandse werkgelegenheid zou in totaal met 276 000 personen stijgen. De inflatie zou dit jaar uitkomen op 1,9%, een tijdelijke opstoot kennen in 2028 en daarna vertragen tot 1,7%. Het overheidstekort zou in 2026 afnemen, maar daarna weer stijgen tot 6,3% van het bbp in 2031.
De Europese groei houdt op korte termijn goed stand, maar vertraagt op middellange termijn
Ondanks de Amerikaanse tariefverhogingen heeft de economie van de eurozone zich in 2025 veerkrachtig getoond, met een groei van 1,5%. De economische groei zou in 2026 en 2027 vrijwel stabiel blijven (respectievelijk 1,3% en 1,4%), met de binnenlandse vraag als belangrijkste groeimotor. Nadien zou de bbp-groei in de eurozone geleidelijk vertragen tot 1,1% doordat de vergrijzing de toename van de bevolking op arbeidsleeftijd afremt.
De Belgische bbp-groei blijft relatief stabiel
In 2025 bedroeg de groei van het Belgische bbp 1,0%, voornamelijk gedragen door de particuliere consumptie, de bedrijfsinvesteringen en de overheidsconsumptie. Dit jaar zou de economische groei licht aantrekken tot 1,1%, ondersteund door een groeiversnelling van de investeringen bij zowel de ondernemingen als de overheid. Daarnaast vertoont de uitvoer een voorzichtig herstel en is de terugval van de investeringen van de gezinnen in woningen aanzienlijk kleiner dan in de voorgaande jaren, terwijl de groei van de particuliere consumptie aan tempo verliest. In de periode 2027-2031 zou de bbp-groei schommelen tussen 1,1% en 1,4%, wat in lijn ligt met de groei van de eurozone. In vergelijking met de periode 2024-2026 zou de bijdrage van de overheidsuitgaven beperkter zijn als gevolg van diverse overheidsmaatregelen, terwijl het herstel van de uitvoer en van de investeringen in woningen zich verder zou doorzetten.
De koopkracht van de gezinnen wordt door diverse maatregelen beïnvloed
In 2026 zou het reëel beschikbaar inkomen van de gezinnen met 0,4% toenemen en in de periode 2027-2031 met gemiddeld 1,2% per jaar. Over de hele projectieperiode genomen zou de inkomensgroei o.m. worden ondersteund door de stijging van de bruto-uurlonen en (vooral vanaf 2027) door de toename van de werkgelegenheid. Diverse overheidsmaatregelen hebben een impact op de inkomensgroei. Zo remt de beperking in de tijd van de werkloosheidsuitkeringen vooral in 2026 de groei van het beschikbaar inkomen af, terwijl de indexbeperking op de hogere lonen en uitkeringen een neerwaarts effect heeft in de periode 2027-2029. Daarnaast zijn er maatregelen met een opwaartse impact op de inflatie, zoals de verhoging van de indirecte belastingen en de inwerkingtreding van het ETS2-systeem in 2028. Omgekeerd wordt de inkomensgroei vooral in 2029 en 2030 ondersteund door een aanzienlijke vermindering van de personenbelasting.
De groei van de loontrekkende werkgelegenheid herneemt
In 2025 was de groei van de binnenlandse werkgelegenheid volledig toe te schrijven aan een toename van het aantal zelfstandigen en van de overheidswerkgelegenheid, terwijl het aantal loontrekkenden in de privésector licht afnam. Dit jaar zou de loontrekkende werkgelegenheid in de privésector licht hernemen en vanaf 2027 sterker groeien. Diverse maatregelen dragen ertoe bij dat de groei van de activiteit in de privésector arbeidsintensief is. Over de periode 2026-2031 zou de werkgelegenheid in de privésector (werknemers en zelfstandigen) met 273 000 personen stijgen, terwijl de overheidswerkgelegenheid enkel in 2026 nog licht toeneemt, maar nadien nagenoeg stabiel blijft (+3 000 personen). De EU2020-werkgelegenheidsgraad zou stijgen van 72,8% in 2025 tot 75,2% in 2031. Door de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd en de aanhoudende stijging van het aantal gepensioneerden met een flexi-job, zou meer dan een derde van de verwachte werkgelegenheidsgroei betrekking hebben op personen van 65 jaar en ouder, die niet in deze indicator worden meegenomen.
De werkloosheid (administratief concept) neemt in de periode 2026-2031 af met 53 000 personen. De daling van het aantal werklozen met een RVA-uitkering is aanzienlijk sterker (-138 000 personen), maar wordt deels gecompenseerd door een toename van het aantal leefloners (die verplicht ingeschreven blijven als werkzoekende) en van het aantal personen dat ook zonder uitkering een beroep doet op arbeidsbemiddeling.
De inflatie zou geleidelijk afnemen, zij het met een tijdelijke opstoot in 2028
De inflatie zou in 2026 uitkomen op 1,9% (tegenover 2,5% in 2025) en tegen 2031 afnemen tot 1,7%. Deze ontwikkeling houdt rekening met de hervorming van de accijnzen op gas en elektriciteit en met de verhoging van sommige btw-tarieven. De inflatie vertoont een tijdelijke piek in 2028 (2,2%) als gevolg van de invoering van het ETS2-systeem. De groei van de gezondheidsindex zou een gelijkaardig verloop kennen en afnemen van 2,6% in 2025 tot 2,1% in 2026, om zich op middellange termijn eveneens te stabiliseren op 1,7%.
Het overheidstekort daalt in 2026, maar stijgt daarna weer
Het overheidstekort zou stijgen van 4,4% van het bbp in 2024 tot 5,3% in 2025 (voorlopige raming). Het tekort zou in 2026 teruglopen tot 4,9%, wat overeenstemt met het tekort in het ontwerpbegrotingsplan dat België aan de Europese Commissie heeft voorgelegd. Rekening houdend met de huidige beslissingen, zou het tekort in de daaropvolgende jaren opnieuw toenemen van 5,1% in 2027 tot 5,7% in 2029 en 6,3% in 2031.
Voor de middellange termijn tekenen zich enkele duidelijke trends af. De werkingskosten van de overheid dalen in procent van het bbp. De sociale uitgaven stabiliseren zich en dragen niet langer bij aan de verslechtering van het primaire saldo (saldo exclusief rentelasten op de overheidsschuld). De defensie-uitgaven nemen toe tot de NAVO-doelstelling wordt bereikt. Ten slotte stijgen de rentelasten op de schuld met ongeveer 1 procentpunt van het bbp over een periode van vijf jaar. Tot 2028 groeien de primaire uitgaven (uitgaven zonder rentelasten) minder snel dan de fiscale ontvangsten. Het primair tekort neemt echter opnieuw toe in 2029 als gevolg van de besliste belastingverlagingen voor 2029 en 2030, terwijl de geplande besparingen slechts tot 2029 lopen. De Belgische overheidsschuld, die in 2025 op 107% van het bbp wordt geraamd, stijgt tot 117% in 2029 en tot 122% in 2031.
Baudouin Regout, Commissaris bij het Federaal Planbureau: “Onze nieuwste vooruitzichten tonen aan dat het overheidstekort en de overheidsschuld een bijzonder aandachtspunt blijven. Bijkomende ingrepen op korte en lange termijn dringen zich dan ook op om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te verzekeren.”
Bron: Federaal Planbureau

Catégorie:
Tags: 

